3456→24
Maak 24
Maak precies 24 met vier getallen. Elk getal één keer, met +, −, × en ÷, zonder breuken.
Spelen
Wat leerlingen oefenen en tips
Wat leerlingen oefenen
- Flexibel hoofdrekenen met kleine getallen
- Getalrelaties: welke sommen maken 24 (3 × 8, 4 × 6, 2 × 12)
- Volgorde van bewerkingen en haakjes
- Doorzetten als de eerste aanpak niet werkt
Tips
- Begin met de vraag welke keersommen 24 maken. Leerlingen gaan dan gericht op zoek naar 3 en 8 of 4 en 6.
- Laat de oplossing als één som met haakjes noteren, bijvoorbeeld (5 + 3 − 4) × 6. Zo oefenen ze ook de notatie.
- Laat eerst alleen werken en daarna in tweetallen vergelijken: wie had een andere route?
- Differentieer: sterke rekenaars zoeken een tweede oplossing, zwakkere rekenaars blijven op makkelijk.
3579→93 × 75
Zo hoog mogelijk
Plak cijfers aan elkaar en reken zo hoog mogelijk, of zo dicht mogelijk bij een doelgetal. Oefent plaatswaarde en schatten.
Spelen
Wat leerlingen oefenen en tips
Wat leerlingen oefenen
- Plaatswaarde: welk cijfer levert waar het meest op
- Schatten van uitkomsten voordat je uitrekent
- Vermenigvuldigen met meercijferige getallen
- Bij "Raak het doel": vooruitdenken en bijsturen
Tips
- Laat leerlingen eerst schatten welke verdeling het hoogst uitkomt en pas daarna uitrekenen.
- Vergelijk de top 3. Waarom is 93 × 75 hoger dan 95 × 73? Twee getallen met dezelfde som geven een groter product als ze dichter bij elkaar liggen.
- Vraag waarom het grootste cijfer op een tientallenplek staat en niet bij de eenheden.
- Laat bij "Raak het doel" de rekenstappen noteren, zodat je kunt bespreken waar een leerling bijstuurde of de mist in ging.
RSET→STER
Woordjacht
Zoek zo veel mogelijk woorden in een letterraster, of maak het langste woord met een set letters. Met ingebouwde woordenlijst.
Spelen
Wat leerlingen oefenen en tips
Wat leerlingen oefenen
- Woordenschat: welke woorden ken je, en welke vormen (meervoud, verkleinwoord, werkwoordsvormen) tellen mee
- Spelling: een woord moet letter voor letter kloppen, inclusief ij en ei
- Klankgroepen herkennen: sch, ng, oe, ui, ij
- Bij "Langste woord": systematisch combineren en woorden langer maken
Tips
- Begin met korte woorden en laat leerlingen die daarna verlengen: van BOOT naar BOTEN of BOOTJE.
- Gebruik "Woord controleren" bij twijfel. Het spel markeert het woord in het raster, zodat de hele klas het pad ziet.
- Bespreek woorden die wel in de lijst staan maar onbekend zijn. Dat levert vaak een korte woordenschatles op.
- Laat in tweetallen spelen en woorden die beide leerlingen hebben wegstrepen. Dan winnen unieke woorden.
hijword→wordt
Foutenjacht
Klik op de woorden die fout geschreven zijn en kijk daarna na. Kies zelf welke soorten fouten erin zitten.
Spelen
Wat leerlingen oefenen en tips
Wat leerlingen oefenen
- Werkwoordspelling: tegenwoordige tijd (ook bij inversie: "vind jij"), verleden tijd, voltooid deelwoord en het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord
- Spelling van lastige woorden
- Hoofdletters en leestekens op de juiste plek
- Nauwkeurig lezen en de eigen tekst controleren
Tips
- Zet "Aantal fouten tonen" eerst aan. Zonder die hulp is het spel merkbaar moeilijker.
- Laat leerlingen bij elke fout de regel noemen, bijvoorbeeld: "hij wordt, want stam + t".
- Een goed woord aanklikken kost punten. Bespreek waarom gokken dan niet loont.
- Kies per les één soort fout, aansluitend bij wat je die week in de spellingles behandelt.
508001945→1-2-3
Tijdlijn
Wanneer gebeurde het? Kies het juiste tijdvak bij een gebeurtenis, of leg vijf gebeurtenissen in de goede volgorde.
Spelen
Wat leerlingen oefenen en tips
Wat leerlingen oefenen
- De tien tijdvakken en hun namen
- Gebeurtenissen koppelen aan een tijdvak
- Chronologisch ordenen: wat was eerder, wat later
- Rekenen met jaartallen voor en na Christus
Tips
- Hang de tijdvakken met hun namen zichtbaar in de klas. Laat leerlingen bij twijfel redeneren met wat ze al weten.
- Vraag bij "Op volgorde" niet alleen naar de volgorde, maar ook naar het waarom: wat moest er eerst gebeuren?
- Jaartallen met "ca." zijn schattingen. Dat is een mooi moment om te bespreken hoe we weten wat er vroeger gebeurde.
Waar ligt het?
Topografie op een blinde kaart. Wijs aan waar een plaats, water of gebied ligt, of noem wat de kaart aanwijst.
Spelen
Wat leerlingen oefenen en tips
Wat leerlingen oefenen
- Provincies, hoofdsteden, steden en wateren van Nederland
- Landen, hoofdsteden, zeeën en gebergten van Europa
- Werelddelen, oceanen, landen en grote rivieren
- Kaartlezen: ligging ten opzichte van andere plaatsen
Tips
- Kies alleen de onderdelen die je net behandeld hebt, bijvoorbeeld eerst alleen de provincies.
- "Kies uit 4" is een goede start. "Aanwijzen" zonder stippen is het moeilijkst.
- Bij aanwijzen toont het spel hoeveel kilometer je ernaast zat. Laat leerlingen verwoorden waar het wel ligt: "ten noorden van ...".
- Gebruik "Oefen alleen de fouten" aan het eind om gericht te herhalen.
egeltent→30 sec
Vijf in 30
Omschrijf in 30 seconden vijf begrippen voor je team. De andere teams raden mee op hun wisbordje. Met scorebord, timer en 100 kaartjes.
Spelen
Wat leerlingen oefenen en tips
Wat leerlingen oefenen
- Mondelinge taalvaardigheid: snel en precies omschrijven
- Woordenschat en algemene kennis
- Luisteren en samenwerken in een team
Tips
- Zet het scorebord op het digibord en open "Kaartje trekken" op een telefoon of tablet voor de uitlegger. Geen tweede apparaat? Print de kaartjes.
- Bespreek vooraf wat niet mag: het woord zelf, een deel ervan, een andere taal of een rijmwoord.
- Laat na een ronde een leerling vertellen welke omschrijving het best werkte en waarom.
ABC→B
Welke is waar?
Drie beweringen, één is juist. Teams kiezen A, B of C en zetten 1 of 2 punten in. Jij typt de beweringen en onthult het antwoord.
Spelen
Wat leerlingen oefenen en tips
Wat leerlingen oefenen
- Kennis van elk vak: jij kiest de beweringen
- Redeneren en overleggen: waarom is deze bewering onwaar?
- Inschatten hoe zeker je bent, door de inzet
Tips
- Maak de onjuiste beweringen geloofwaardig. Dan moeten teams echt nadenken.
- Vraag na het onthullen wat er aan de onjuiste beweringen niet klopt.
- Gebruik het als herhaling aan het eind van een les of thema.